Zelftestprocedure bij het opstarten
Apparaten met een cartridge voeren bij het opstarten een zelftest uit om te controleren of de geluids- en visuele meldingen naar behoren werken. Het apparaat test tijdens het opstarten achtereenvolgens de LED’s, de geluidsmelding, de trillingen en de microfoon.
Tijdens het opstarten kunnen de visuele indicatoren kortstondig worden uitgeschakeld, gedurende maximaal vijf seconden, waarbij gedurende die tijd alleen de geluidssignalen actief zijn. Als tijdens de zelftest een van de uitgangen uitvalt, duidt dit op een storing en dient dit te worden gemeld.