Gasbemonstering
De EXO-pomp heeft vier aansluitingen. Wanneer deze op slangen wordt aangesloten, kan één EXO-pomp hiermee meerdere afgelegen gebieden monitoren. De aansluitingen moeten eerst worden toegewezen voordat ze kunnen worden gebruikt. Raadpleeg de technische gebruikershandleiding van de EXO voor meer informatie.
- Schakel de EXO in en druk op OK om het hoofdmenu te openen.
- Gebruik de pijltjes en de OK-knop om de gasopties te selecteren.
- Selecteer de instellingen voor de inlaten. Standaard worden de inlaten van de pomp (1-4) weergegeven als UIT.
- Bevestig de slang aan de gewenste inlaat met behulp van een slang die is voorzien van een snelkoppeling.
- Selecteer ‘Inlaatinstellingen’ en selecteer vervolgens de inlaat waarop u de slang in stap 4 hebt aangesloten.
- Gebruik de pijltjes en de OK-knop om de inlaat op AAN te zetten. Deze pompinlaat is nu operationeel.
Als u de pomp start bij temperaturen van -20 °C (-4 °F) of lager, genereert de EXO een alarm voor een geblokkeerde pomp dat blijft bestaan totdat de inlaat is opgewarmd en de pomp weer normaal functioneert. Bij een bemonsteringscyclus met meerdere inlaten hebben de inlaten geen tijd om op te warmen. Gebruik bij temperaturen onder -20 °C (-4 °F) uitsluitend bemonstering van één gas.