Patronen en extreme weersomstandigheden
De EXO functioneert optimaal bij temperaturen tussen -20 °C en 50 °C (-4 °F tot 122 °F). Voor aanbevolen werkwijzen bij gebruik van de EXO buiten dit bereik, zie ‘Gebruik van apparaten bij extreme weersomstandigheden’.
Elektrochemische sensoren
Bij temperaturen onder -20 °C (-4 °F) kan de elektrolyt in CO-,H₂S-en andere elektrochemische sensoren na verloop van tijd bevriezen, waardoor de sensor minder goed in staat is om een betrouwbare uitlezing te geven. Door de EXO bij niet-gebruik op te bergen in een warme en vochtige (60% relatieve luchtvochtigheid) omgeving, blijven de elektrochemische sensoren langer goed functioneren.
Het blootstellen van een elektrochemische sensor aan schommelingen tussen kamertemperatuur en extreme kou en vice versa kan ook tijdelijke afwijkingen in de meetwaarden van de sensor veroorzaken. Deze afwijkingen verdwijnen doorgaans binnen minder dan 60 seconden.
Infrarood (IR) LEL-sensoren
Plotselinge veranderingen in temperatuur en luchtvochtigheid kunnen condensvorming veroorzaken in de LEL-IR-sensor, wat de optische componenten kan beïnvloeden en een tijdelijke basislijnafwijking kan veroorzaken. Meestal duren deze afwijkingen minder dan 60 seconden, waarna de meetwaarden zich herstellen en EXO weer normaal functioneert.
Als de IR-sensor plotseling wordt blootgesteld aan een extreem koude omgeving vanuit kamertemperatuur, kan dit een tijdelijke afwijking van de basislijn veroorzaken, doorgaans minder dan 10% LEL. Als deze afwijking aanhoudt, kunt u de sensor handmatig op nul zetten in de koude omgeving.
Als de IR-sensor vanuit een extreem koude omgeving plotseling wordt blootgesteld aan kamertemperatuur, kan dit een tijdelijke afwijking van de basislijn veroorzaken, die soms boven de grenswaarde uitkomt.