Helpcentrum

Zoek in het Helpcentrum

Sensorspecifieke temperatuur Effecten

Bij sommige sensoren kan tijdelijke afwijking of prestatieverlies optreden wanneer ze worden blootgesteld aan extreme temperaturen of snelle temperatuurschommelingen:

Elektrochemische sensoren

Bij temperaturen onder –20 °C (–4 °F) kan de elektrolyt in sensoren zoals CO- en H₂S-sensoren bevriezen, waardoor de sensoruitvoer afneemt.

Door apparaten in een warme en vochtige omgeving (ongeveer 50% relatieve luchtvochtigheid) op te bergen wanneer ze niet worden gebruikt, kan de levensduur van de sensor worden verlengd.

Snelle temperatuurschommelingen kunnen tijdelijke afwijkingen veroorzaken, die doorgaans binnen 60 seconden verdwijnen.

Infrarood (IR) LEL-sensoren

Plotselinge veranderingen in temperatuur of luchtvochtigheid kunnen condensvorming in de sensor veroorzaken, wat leidt tot een verschuiving van de basislijn.
  • Overgang van warm naar koud: de drift kan oplopen tot 10% LEL en verdwijnt binnen 60 seconden.

  • Overgang van koud naar warm: dit kan tijdelijke overschrijdingen van de limiet veroorzaken. Als de afwijking aanhoudt, stel de sensor dan handmatig in op nul in de bedrijfsomgeving.

Deze effecten zijn van tijdelijke aard en worden niet als storingen beschouwd, maar gebruikers moeten ervoor zorgen dat de temperatuur zich heeft gestabiliseerd voordat ze afgaan op kritieke gasmetingen.